Zoeken
ff-stamp
rundvee3geitenvarkensgeiten3rundvee

06-06-2017

Fosfaatreductieplan melkvee en GVE-rekenprogramma ForFarmers

Het fosfaatreductieplan Melkvee, waarin de GVE-reductie is geregeld, ging definitief in per 1 maart 2017. Met dit plan moet de melkveestapel terug naar de peildatum 2 juli 2015 minus 4%, met uitzondering van grondgebonden bedrijven. Inmiddels zijn de voorwaarden een aantal keren aangepast. Hieronder houden wij u op de hoogte van de stand van zaken. Ook ons rekenprogramma passen we indien nodig aan, zodat u altijd met de juiste cijfers rekent. 

Wat zijn de gevolgen voor uw bedrijf
Hieronder vindt u de belangrijkste uitgangspunten van het definitieve fosfaatreductieplan. Daarnaast heeft ForFarmers een rekenprogramma ontwikkeld dat u snel inzicht geeft in de (financiële) gevolgen van de nieuwe regelingen voor uw bedrijf. Dit rekenprogamma is begin juni geactualiseerd n.a.v. de laatste aanpassingen in de GVE-reductieregeling van 31 mei 2017.

Achtergronden regelingen fosfaatproductieplan

Niet-melkleverende bedrijven
Niet-melkleverende bedrijven zijn vrijgesteld van het GVE reductieplan.

Kortingspercentage periode 5 vastgesteld op 12%
Melkproducerende bedrijven die meer GVE hebben dan het referentieaantal op 02-07-2015 (minus 4% extra voor niet grondgebonden bedrijven), moeten in 5 perioden terug naar het referentieaantal. In periode 1 (maart/april) moet 5% van het aantal GVE’s zijn gereduceerd; voor periode 2 (mei/juni) geldt een reductiepercentage van 10% en voor periode 3 t/m 5 (juli t/m december 2017) komt het percentage neer op 12%.

Tweede maand bindend
Voor de komende perioden is, net als in periode 1 en 2, enkel de tweede maand van de periode bepalend voor de heffing of bonus. Het gemiddelde aantal dieren in de maanden juni, augustus, oktober en december zijn leidend voor de heffing of bonus. De bedragen per GVE zijn per periode verhoogd, €480,- geldsom, €112,- heffing, en €120,- bonus in de maand augustus,  €300,- bonus in de maanden oktober en december.

Jongveegetal
Voor elk melkproducerend bedrijf zal een jongveegetal worden bepaald op basis van de aanwezige dieren op 28 april 2017. Dit jongveegetal legt de verhouding vast. Het gaat om de verhouding tussen het op het bedrijf aanwezige jongvee (vrouwelijk vee tot één jaar en ouder dan één jaar maar nog niet afgekalfd) en het aantal afgekalfde koeien. Afvoer van jongvee telt alleen mee als reductie, indien naar verhouding (in GVE) een gelijk aantal afgekalfde koeien wordt afgevoerd. Wanneer de verhouding jongvee en koeien die hebben afgekalfd verandert als gevolg van een beperktere hoeveelheid jongvee, zal bij het berekenen van het maandgemiddelde (in GVE) op het bedrijf wordt uitgegaan van het jongveegetal en dus niet van het daadwerkelijk aantal jongvee (zie berekening in Excel programma van FF, link hierboven).

Bedrijven die moeten rekenen met het jongveegetal zijn de bedrijven die na 31 mei 2017 jongvee ouder dan 35 dagen naar een ander bedrijf in Nederland hebben afgevoerd. Bedrijven die na 31 mei enkel jongvee ouder dan 35 dagen afvoeren voor export of slacht hebben niet te maken met het jongveegetal. Daarnaast is het jongveegetal niet van toepassing voor een bedrijf dat enkel jongvee jonger dan 36 dagen afvoert naar een ander Nederlands bedrijf. Vanaf het moment dat de afvoer van jongvee niet voldoet aan de bovengenoemde voorwaarden (export, dood en/of jonger dan 35 dagen) moet het bedrijf vanaf die periode rekenen met het jongveegetal zoals berekend op 28 april.

Afvoer van koeien die hebben afgekalfd op een melkproducerend bedrijf kunnen worden afgevoerd naar een niet-melkproducerend bedrijf. Om deze koeien te laten meetellen in de reductie, moet aan de voorwaarde worden voldaan dat deze dieren niet binnen vier maanden terugkeren op hetzelfde melkproducerende bedrijf. Indien deze dieren binnen vier maanden terugkeren tellen deze niet mee als reductie. Dit maakt afvoer voor bijvoorbeeld vetweiden of vetmesterijen mogelijk.


Criterium grondgebondenheid
Een melk producerend bedrijf is grondgebonden indien het in 2015 met melkvee niet meer fosfaat produceerde dan de plaatsingsruimte in 2015. De plaatsingsruimte van 2015 wordt bepaald  volgens de gecombineerde opgave. De fosfaatproductie is forfaitair berekend: een rund dat minimaal één keer heeft gekalft produceert altijd 41.3 kg fosfaat per jaar. De melkproductie speelt hierbij geen rol. Een kalf (jonger dan 1 jaar) produceert 9.6 kg fosfaat per jaar een pink produceert 21.9 kg fosfaat per jaar. Omdat de wijze van berekenen is veranderd kan het zijn dat u in tegenstelling tot een eerdere berekening wel of niet meer grondgebonden bent.

Geldsommen en bonussen
Indien een melkproducerend bedrijf  in de maand de doelstelling (GVE’s op 01-10-2016 minus reductiepercentage) niet behaald wordt er een geldsom in rekening gebracht. De hoogte van de geldsom bedraagt 480 euro per GVE dat overtollig is ten opzicht van het referentieaantal. Zolang bedrijven wel voldoende dieren verminderen op basis van de reductiedoelstelling voor een periode, maar nog boven hun referentie-aantal zitten, betalen zij een zogeheten solidariteitsheffing van 112 euro per boventallige GVE per maand. Met andere woorden: zolang een veehouder nog boven het referentie-aantal zit, blijft het hem maandelijks geld kosten. Melkveehouders die minder dieren houden dan hun referentie, krijgen over de eerste drie perioden een bonus van maximaal 120 euro per 'ondertallige' GVE en over de vierde en vijfde periode een bonus van maximaal 300 euro per stuks GVE onder de norm. Let op dat u dan het formulier “de-minimus steun”  in moet vullen!  Dit is te downloaden in de Portal van uw zuivelonderneming (o.a  Melk-Web en Z-Net). Als dit formulier niet is ingevuld ontvangt u geen bonus.